The earliest morphologically identifiable dogs are from Europe and date to at least 14,000 years ago1–5, although early remains are also found in other regions. The origin of early dogs in Europe, and their relationships to other dogs, has remained elusive in the absence of genome-wide data. Similarly, although dogs were the only domestic animal to predate agriculture, little is known about how the arrival of Neolithic farmers from Southwest Asia affected the dogs living with European Mesolithic hunter-gatherers. Here we analysed 216 canid remains, including 181 from Palaeolithic and Mesolithic Europe. We developed a genome-wide capture approach that enriched endogenous DNA by 10–100-fold and could distinguish dog from wolf ancestry for 141 of 216 remains. The oldest dog data that we recovered are from a 14,200-year-old dog from the Kesslerloch site in Switzerland, and we find that it shares ancestry with later worldwide dogs—inconsistent with the hypothesis that European Upper Palaeolithic dogs derived wholly from a separate domestication process. The Kesslerloch dog already displays more affinity to Mesolithic, Neolithic and present-day European dogs than to Asian dogs, demonstrating that dog genetic diversification had started well before 14,200 years ago. We find a Neolithic influx of Southwest Asian ancestry into Europe, but this seems to have been of smaller magnitude than in humans, suggesting that Mesolithic dogs contributed substantially to Neolithic, and, ultimately, probably also modern, European dogs.
Located in
Library
/
RBINS Staff Publications 2026
MANAGEMENTSAMENVATTING Geologische gegevens werden in het verleden hoofdzakelijk aangemaakt binnen de landsgrenzen. Hierdoor waren er steeds grote onzekerheden in de data aan de landsgrenzen, maar ook aansluitingsproblemen tussen de (hydro)geologische modellen van aangrenzende landen. Deze problemen worden nog uitvergroot in geologisch complexe gebieden zoals de Roerdalslenk die onder andere doorheen Zuidoost-Nederland en Noordoost-Vlaanderen loopt. Daarnaast zijn de indeling en de naamgeving van de eenheden in de ondergrond verschillend tussen Nederland en Vlaanderen, wat correlaties over de grens heen nog complexer maakt. Bovenstaande problemen bemoeilijken sterk het beheer van de ondergrond in de grensregio’s. Om die reden leefde bij partijen in Nederland (Provincie Limburg en Provincie Noord-Brabant) en Vlaanderen (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid en de Vlaamse Milieumaatschappij) de wens om de (hydro)geologische modellen van Nederland en Vlaanderen voor de Roerdalslenk op elkaar af te stemmen. In 2012 startte daarvoor het H3O-project, dat twee jaar zou lopen en zou uitgevoerd worden door de TNO, Geologische Dienst van Nederland en de Vlaamse organisatie VITO in samenwerking met de Belgische Geologische Dienst. De doelstelling van het H3O-project was om de verschillen tussen de bestaande (hydro)geologische interpretaties en modellen van het Nederlandse en Vlaamse deel van het projectgebied op een zodanige wijze vast te stellen, uit te zoeken en te verhelpen dat het resulterende grensoverschrijdende model één consistent geheel vormt. Beoogt werd om dit 3D geologische en hydrogeologische model voor het Cenozoïsche bereik samen te stellen op basis van de meest recente gegevens, kennis en inzichten zodat dit model geaccepteerd wordt als het referentiemodel van de Roerdalslenk. Om de opdrachtgevers te ondersteunen bij de inhoudelijke beoordeling van de tussen- en eindresultaten en om de acceptatie van het model te verzekeren, werd een Begeleidingscommissie in het leven geroepen die bestond uit geologische experts uit tal van domeinen. De eindresultaten van dit project zijn in 2014 opgeleverd. Niet alleen vormen de Nederlandse en Vlaamse delen van deze grensoverschrijdende modellen nu één consistent geheel, maar ook zijn beide modellen, door de wijze waarop ze tot stand zijn gekomen, onderling consistent met elkaar. De aldus bekomen geologische en het hydrogeologische modellen vormen daarmee het referentiemodel voor de geologische en hydrogeologische opbouw van het gebied. De gehanteerde correlaties tussen de Nederlandse en Vlaamse eenheden in de ondergrond kunnen verder als leidraad dienen voor toekomstige grensoverschrijdende projecten.
Located in
Library
/
RBINS Staff Publications