Skip to content. | Skip to navigation

Personal tools

You are here: Home
489 items matching your search terms.
Filter the results.
Item type


































New items since



Sort by relevance · date (newest first) · alphabetically
Article Reference L'aranéofaune de la Région de Bruxelles-Capitale. Cinquième partie: le cimetière de verrewinckel à Uccle
Located in Library / RBINS Staff Publications
Booklet Reference The BiodivERsA database: Analysis of the competitive funding landscape for research on biodiversity and ecosystem services in Europe
Located in Library / RBINS Staff Publications
Booklet Reference BiodivERsA 2011-2012 Project Call Brochure: Biodiversity Dynamics (Developing scenarios, identifying tipping points and improving resilience
Located in Library / RBINS Staff Publications
Article Reference « Biosyst.EU 2013 – Global Systematics! Compte rendu des journées : 18-22 février 2013, Vienne, Autriche
Located in Library / RBINS Staff Publications
Proceedings Reference Sortie des eaux, la terrestrialisation des vertébrés
Located in Library / RBINS Staff Publications
Webpublished Reference ‘Nooit meer business as usual’, de impact van Noël Vandenberghe op de Belgische Geologische Dienst
‘Nooit meer business as usual’, de impact van Noël Vandenberghe op de Belgische Geologische Dienst Noël Vandenberghe heeft van eind 1977 tot oktober 1985 gewerkt op de BGD, als jonge dertiger in wat algemeen wordt beschouwd als de meest productieve jaren in een mensenleven. Heeft hij zijn stempel gedrukt op de BGD, en omgekeerd heeft zijn werk aan de BGD invloed uitgeoefend op zijn latere carrière? De vraag stellen is al een positief antwoord verwachten. Noël is een markante persoonlijkheid, scherpzinnig, doelgericht, een doordrijver en een organisatorisch talent, kortom een Westvlaming. Ongetwijfeld zijn er nog tal van zaken te vertellen over Noël, bijv. als coach van een meisjesvolleybalploeg. Maar dat zijn dingen waarover niemand van de geologen bijzonder is geïnteresseerd. Dus terug naar de Geologische Dienst. De BGD die Noël in 1977 heeft aangetroffen was een eerbiedwaardige instelling, die werd opgericht in 1896 om de eerste geologische kaart van België af te werken, en als permanente opdracht had meegekregen de inventarisatie van de Belgische ondergrond en de valorisatie van de nuttige grondstoffen die er zich mochten bevinden. Bondiger kan men een geologische dienst niet omschrijven. De BGD was het archief en het geheugen van de Belgische ondergrond en fungeerde als studiebureau voor de staat in verband met grondwaterwinningen, mijnbouw en infrastructuurwerken. Dus een dubbele taak van onderzoek en dienstverlening. De geologen werkten op de lange termijn en waren de grote kenners van de regionale toegepaste geologie. Als kleine dienstverlenende instelling traden zij niet op het voorplan: vivons cachés, vivons heureux. Ondanks de stoffige uitstraling van de instelling waaide er toch een rebelse ondertoon, gevolg van een voortdurende en uitzichtloze strijd met de superviserende Administratie van het Mijnwezen waar het reglement de enige waarheid was. Het gegeven dat de geologen van de BGD, ingenieurs van vorming, waren overgelopen naar de wetenschap, hield in dat beide groepen elkaar met het nodige misprijzen bejegenden. In dit milieu sprak iedereen sprak Frans en verstond elkaar. Er gold een onbetwiste geologische waardenschaal: hoe ouder hoe beter, hoe dieper hoe waardevoller. In dit milieu kwam Noël Vandenberghe met het stigma van Tertiairgeoloog terecht. Na zijn doctoraat over de Boomse Klei, en de obligate buitenlandse ervaring, op ertsprospectie in de jungle van Kalimantan (samen met prof Viaene, Raoul Ottenburgs en Ludo Broothaers) kwam Noël goed voorbereid op de BGD terecht als stagiair, het vagevuur voor een statutaire of vaste benoeming. Hij maakte het eerste jaar een Stageverslag met als titel “Voorstel van administratieve maatregelen die kunnen genomen worden om de grondstoffen in Vlaanderen te valoriseren, inzonderheid de zand-, klei-, grint- en krijtafzettingen.” Dit onderwerp sloot duidelijk aan bij de academische expertise verworven tijdens zijn doctoraat, maar wijst toch al resoluut in de toegepaste richting en integratie in het takenpakket van de BGD. Vandaag zijn de geregionaliseerde administraties van natuurlijke rijkdommen nog steeds begaan met de actualisatie van deze taak. Het stageverslag was niet voldoende. Hij moest ook over de juiste hoedanigheden beschikken zoals dat in het Nederbelgisch heette, om dergelijke prestigieuze functie te kunnen uitoefenen, in de praktijk erkend als gelijkwaardig aan een academische loopbaan. Hij werd beoordeeld op zijn fysiologische, psychologische en karakteriële hoedanigheden, zijn intellectuele hoedanigheden, zijn communicatievaardigheid, theoretische kennis en praktische beroepswaarde. De wijze waarop hij werd beoordeeld door zijn hiërarchische overste Jean-Marie Graulich is typerend zowel voor Noël als voor de instelling waaraan hij was verbonden. Graulich was hoofdgeoloog-directeur met als hoofdopdracht de grote bouwwerven in de Ardennen, zoals autosnelwegen en stuwdammen en de uitvoering van diepboringen in en rond het Massief van Stavelot. Als volgeling van Fourmarier was hij voor de Leuvense geologen van onze generatie – die les hebben gekregen van Noëls voorganger, prof Geukens – de baarlijke duivel. Nochtans was hij een gemoedelijke persoon - zijn dagelijks welgevuld glas whisky en zijn onafscheidelijke pijp droegen hier ongetwijfeld toe bij - die zijn taak met ernst en volharding vervulde. Het was dus Jean-Marie Graulich, zijn vader was kortstondig rector van de Universiteit Luik en hijzelf ademde een prinsbisschoppelijk chauvinisme uit, die de hoedanigheden van Noël moest kwoteren. Dergelijke bladen zijn doorgaans weinig spannende lectuur maar de afwijkingen van het gemiddelde „goed‟ zijn wel typerend. Noël werd zeer goed beoordeeld in zijn contacten met het publiek maar minder goed in zijn contacten met collega‟s. De mentale afstand tussen een Westvlaming en een Luikerwaal is zelfs niet in kilometers te meten; onze oudere Franstalige collega‟s vonden dat zij gemakkelijker om konden met „un bon limbourgeois‟ dan met een principiële Westvlaming. Zo werden ook - ik citeer - zijn „geschreven mededelingen‟ beter beoordeeld dan zijn „mondelinge mededelingen‟. Noël kennende betekent dit dat hij het Frans nog niet goed machtig was. Zijn zin voor vervolmaking was prima, maar zijn algemene kennis duidelijk minder. Hoe kon anders worden verwacht van een „géologue du mou‟ in een omgeving van hardrock geologen? Maar Noël heeft eraan gewerkt. Anderzijds waren zijn intellectuele hoedanigheden, tucht en methode, zin voor het afhandelen van zaken en voor het algemeen belang, zelfs het weerstandsvermogen van de zenuwen exemplarisch te noemen. Hij werd dan ook met ingang van 1 december 1978 tot statutair geoloog benoemd bij Koninklijk Besluit van 27 december 1978, toegewezen aan de Administratie van het Mijnwezen, Centraal Bestuur – Geologische Dienst, met bruto jaarwedde van 352.344 frank. Met al deze randvoorwaarden zou het erop kunnen lijken dat Noël bij zijn aanstelling als geoloog voor de leeuwen werd geworpen. Dat was niet echt zo, omdat twee collega‟s hem nodig hadden en hem de kansen boden om zijn kaderfunctie nieuwe inhoud te geven, Piet Laga en Jos Bouckaert. Piet had op de BGD de taken van de te vroeg gestorven Marcel Gulinck overgenomen. Hij kende als geen ander de geologische opbouw van het Vlaamse land en had een merkwaardig inzicht in de bureaukratische geplogendheden en hoe erin zijn weg te vinden. Hij verdronk echter in de routine en had versterking nodig om de operationele structuur van de BGD te hervormen naar programma‟s en projecten, en nieuwe samenwerkingsverbanden tot stand te brengen. Ik dank hierbij Piet voor het nogmaals nuttig advies bij het brengen van deze lezing. De BGD periode van Noël viel samen met de opgang van Jos Bouckaert in de hiërarchie van de BGD die er een nieuwe wind wilde laten waaien, modernisering, internationalisering, commercialisering van de dienstverlening. Noël moest hem technisch en strategisch op het juiste spoor houden. Het begin van de 80er jaren waren zeer succesvol voor de BGD en van die erfenis plukken we vandaag nog de vruchten. De wind van verandering wekte echter veel afgunst en georchestreerde weerstand op, die uiteindelijk Jos Bouckaert hebben geknakt. Dat hij het zolang volgehouden heeft, tot voordeel van de huidige generaties, was niet in het minst te danken aan de ondersteuning door Noël, ook na zijn overstap naar Leuven, die door de tegenstrevers een der „kwade geniussen‟ achter Bouckaert werden genoemd. BHet verband tussen onderzoek en maatschappij is voor Noël altijd vanzelfsprekend geweest. L‟art pour l‟art is niet aan hem besteed. Onderzoeksactiviteiten aan de BGD waren sowieso toegepast, indien niet op rechtstreekse vraag van betrokken bedrijven zoals de baksteenindustrie, dan toch om de prospectiviteit voor energiegrondstoffen van de Vlaamse ondergrond aan te tonen, en zo oliemaatschappijen te lokken. Dit kon zoals van oudsher door te wachten op opdrachten, maar Noël zag die taak ruimer en vond dat de wetenschappers ook moesten deelnemen aan het maatschappelijk debat en wegen op de besluitvorming. Wie deze taak ernstig neemt moet over de nodige vorming beschikken, die veel verder gaat dan wat een academische opleiding te bieden heeft. In september 1982 behaalde Noël het bijzonder diploma in de Bestuurskunde en het Overheidsmanagement aan de KUL. Dit was zo uitzonderlijk dat hij de kwalificatie meekreeg – ik citeer - van een ‘ambtenaar die zich bijzondere inspanningen getroost om zijn vorming te vervolmaken‟. Noël stond dus in voor de professionalisering van de BGD, als rechterhand van Jos Bouckaert, en in overeenstemming met de evolutie die ook andere Europese geologische diensten ondergingen. Het was een roerige periode, volop in de tweede olieschok, die wat meer economische en sociale ontwrichting met zich meebracht dan de huidige economische crisis, tot nog toe. Het antwoord daarop was, geheel tegengesteld aan de huidige politiek, investeringsmiddelen vrijmaken. Als enige instelling van het land die nieuwe grondstoffen of nuttig gebruik van de ondergrond kon aantonen kon de BGD beschikken over een investeringsbudget dat 300 miljoen frank per jaar kon overtreffen. Nu is er niet 1% daarvan overgebleven. Een eerste domein waarvoor het inzicht en organisatorisch talent van Noël van pas kwam was de voorstudie en lancering van een Informaticaproject. We spreken over een periode dat de PC nog niet bestond. Het was ook de periode dat er nog helemaal geen digitale data bestonden. Het project van de BGD was ambitieus: een relationele databank zelf ontwikkelen voor zijn uitgebreide archieven. De huidige Databank Ondergrond Vlaanderen is nog op hetzelfde model gebouwd. Het informaticaproject was het paradepaardje van de BGD en is op de schop gegaan vooraleer het kon worden opgeleverd, als gevolg van de zware conflicten die de BGD teisterden – zo veel geld steekt de ogen uit. Alhoewel er nadien geen specifieke informaticaprojecten zijn doorgevoerd werden uit dit zg debacle zoveel digitale data en datastructuren gerecupereerd dat de BGD tot in de 21ste eeuw vooroplag in digitalisatie. Hoe een zg. fiasco toch een positief resultaat kon opleveren was grotendeels te danken aan de inventiviteit van Herman Goethals, studiegenoot van Noël die zich in deze dienstverlening heeft weggecijferd. Het tweede domein was de inzet van nieuwe exploratietechnieken voor verkenning van de ondergrond, met name geofysische boorgatmetingen en reflectieseismiek. Beide technieken werden voor het eerst in de jaren ‟50 in het pre-digitale tijdperk door de BGD toegepast, boorgatmetingen in de boring Turnhout en seismiek die o.a. leidde tot de ontdekking van de koepel van Heibaart, heden site van ondergrondse gasopslag. Vanaf eind jaren ‟70 werden ze ingezet als een efficiënt instrument voor de systematische verkenning en karakterisatie van de ondergrond. Noël stond in voor organisatie en implementatie. Nu lijken deze methoden gemeengoed, maar hun introductie ging niet zonder slag of stoot. Een voorbeeld uit de steenkoolexploratie kan dit aantonen. Onder impuls van de Nationale Arbeidsraad, later Dienst voor Nijverheidsbevordering werden vanaf 1979 een reeks steenkoolverkenningsboringen uitgevoerd, binnen de KS Concessie door de Aardkundige Dienst van de Kempense Steenkolenmijnen, in de Staatsconcessie door de BGD. De BGD boringen werden uiteraard gelogd, die van KS niet. Noël wist door te drukken dat de BGD zijn programma van boorgatmetingen ook kon toepassen op de Dekterreinen van de KS boringen, in het Frans welsprekender de Morts-Terrains genoemd - dood voor de portemonnee van de mijnuitbater - en dus van geen tel voor de mijnbouwers. Deze toelating was echter niet van harte en men hoopte heimelijk op mislukking, door de boorfirma die hierin een maneuver zag om zijn werk te controleren, door de KS omdat ze niet opgezet waren met de Hollanders van TNO op hun werf. Het is pas nadat ze zelf het grote nut van deze metingen hadden kunnen constateren en een bedrijf van bij ons hadden gevonden om de metingen uit te voeren dat ook KS systematisch op boorgatmetingen overstapte. Zij namen zelfs de ontwikkelingskosten van dit gespecialiseerd bedrijf Diasol, gevestigd in Luxemburg, voor hun rekening maar toch zijn zo enkele jaren verloren gegaan. Een derde domein was verbreding van de werking van de BGD door internationalisering – dit was een trendbreuk, mede door de snelle invoering van het Engels als communicatietaal. Dit realiseerde Noël door EU ondersteunde projecten en deelname aan netwerken, met name voor geothermie. Ik kan hierbij de twee EU projecten vermelden die Noël heeft opgezet: „Le sondage géothermique de Meer-Hoogstraten. Projet de démonstration dans le domaine de l'énergie géothermique. Seismic investigation of karst-affected zones in the Viséan limestone of northern Belgium. Research into the possibility to differentiate between compact and karst-affected limestones in the subsurface by seismic techniques.‟ Van dit laatste project dateert zijn blijvende band met de in Ethiopië geboren Italiaanse wereldburger Elio Poggiagliolmi. Uit dit alles komt naar voren dat Noël, uiteraard, projectleider was voor de BGD programma‟s inzake automatisering, geothermie, gasopslag. Niet onbelangrijk te vermelden hierbij dat deze projecten een heel regiment geologen een eerste werkervaring boden. Jos Bouckaert beschouwde dit als een van zijn belangrijkste verwezenlijkingen maar het was Noël die het werk in de praktijk dirigeerde. Om deze jongeren een dienstcontract te kunnen aanbieden buiten de rigiede structuur van een staatsadministratie was het nodig allerhande vzw‟s of stichtingen op te richten of gebruik te maken van tijdelijke samenwerkende vennootschappen zoals TGO, Toegepast Geologisch Onderzoek, dank zij de medewerking van Paul Van Calster. Het hoogtepunt in zijn carrière aan de BGD was ongetwijfeld de boring van het geothermisch doublet Beerse-Merksplas, die door een gas show als een olieboring moest worden afgewerkt. Ook al is er niets van gekomen, het blijft het meest complexe boorproject van het land, meesterlijk geregisseerd door Noël. Bijzonder merkwaardig is ook hoe Noël, toch uit Vlaamse Klei geboetseerd, zich verhoudt tot de geologie van het Paleozoicum. Van de stratigrafie blijft hij wijselijk af. Maar hij is wel een verruimer en schuwde daarbij de controverse niet. Bijvoorbeeld past hij soft sediment deformatie toe op het Namuriaan. Hij introduceert sedimentair-tektonische concepten uit de olie-exploratie zoals de listrische groeibreuk; ik citeer de titel van zijn spraakmakende publicatie „The subsurface geology of the Meer area in North Belgium, and its significance for the occurrence of hydrocarbons‟. En natuurlijk de reeds eerder vermelde karstdetectie. In het licht van zijn nakende opvolging van prof Geukens in Leuven komen deze werken die zijn vermogen aantonen om ook buiten de begane paden te treden en oorspronkelijk onderzoek in het Paleozoicum uit te voeren, wel goed van pas. Ondanks de bijdrage van Noël tot de kennisverwerving en de structuur van de BGD was het duidelijk dat zijn bestemming hier bij de KULeuven lag. Carrière maken bij een federale administratie zat er sowieso niet in. Cumul als lector aan de Faculteit Toegepaste wetenschappen van de KUL voor overname van de cursus ingenieursgeologie werd toegestaan op 17.7.1984. Hij werd in disponibiliteit geplaatst vanaf 1 oktober 1985 en op 1 januari 1986 ontslag uit zijn functie verleend, aangezien hij vanaf 1oktober 1985 als voltijds docent aan de slag ging in Leuven. Daar zou mijn verhaal kunnen eindigen, maar dat doet het niet. Net zoals Noël zijn expertise inzake Tertiairgeologie heeft meegenomen vanuit zijn academische opleiding naar de BGD heeft hij zijn BGD expertise en projecten meegebracht naar Leuven. Zijn academische expertise inzake de Boomse Klei en de Tertiairstratigrafie heeft hij doen renderen in ingenieurgeologische projecten zoals de stormvloedkeringsstuw te Antwerpen of door zijn pro- actieve bijdrage in de problematiek van de ondergrondse berging van radio-actief afval. Het paradepaardje van Noël, het sequentiestratigrafisch model voor het Tertiair van de zuidelijke Noordzee komt voort uit een combinatie van seismiek met klassiek stratigrafisch onderzoek. Hij heeft de NFWO-contactgroep van het Tertiair gelanceerd. Deze contactgroep heeft het sequentiestratigrafisch model ingang doen vinden, maar heeft bovendien heel sterk bijgedragen tot een betere verstandhouding tussen Leuven en Gent. De soms wel erg gespannen relaties tussen de academici van beider instellingen werden daardoor genormaliseerd. Zijn geologische dienst expertise is in Leuven nooit ver weg geweest. Dit geldt inzonderheid voor geothermie, adviserend onderzoek voor de ondergrondse gasopslag, deelname aan seismische exploraties en boorcampagnes, bijvoorbeeld de seismische lijn BELCORP, verkenning van de Moho onder België, en het programma boorgatmetingen in de boring Havelange, de diepste boring van het land, en vele regionale stratigrafische studies op basis van boorgatmetingen en seismiek. Zo werd ook de geologische kartering van het Vlaams Gewest haast vanzelfsprekend aan Noël toegewezen. Waar het op neer komt is dat de expertise sterk persoonsgebonden is. Net zoals de geologie geen grenzen kent is die expertise niet aan structuren gebonden. De geologische dienst blijft in de persoon verankerd. Noël is dus een collega op afstand gebleven. Trouwens, als voorzitter van de wetenschappelijke raad van KBIN heeft hij een doorslaggevende rol gespeeld in de stabilisering van de BGD. Wij zijn hem hiervoor heel dankbaar.
Located in Library / RBINS Staff Publications
Proceedings Reference Natuursteen in Oost-Brabant als bindteken tussen natuur en cultuur
Streekeigen natuursteen is een duurzaam en een bijzonder milieuvriendelijk product. De gesteenten ondergaan geen enkele transformatie en in de oudste gebouwen gaan ze al 1000 jaar mee. Toch zijn ze niet vergankelijk en is zorg geboden, vooral voor de ijzerzandsteen van het Hageland. Tegelijk geven ze vorm en kleur, blijven ze afkerig van standaardisering en dragen ze bij tot de uitstraling van het gebouw en zijn omgeving. Natuurgesteenten zijn niet alleen iets van het verleden, in gebruik ondergaan ze duidelijk een evolutie in functie van beschikbaarheid, veelzijdigheid en smaak en kunnen vandaag nog hun bijdrage leveren tot de opwaardering van het gebouwenpark, zonder aan de globalisering ten prooi te moeten vallen.
Located in Library / RBINS Staff Publications
Article Reference Sur les traces de nos ancêtres préhistoriques
Located in Library / RBINS Staff Publications
Inbook Reference Keihard bedreigd erfgoed – de kassei : de geschiedenis van onze steden met de voeten getreden
SAMENVATTING. Het verlies aan kassei-patrimonium in België en Nederland is schrijnend zowel in historische stadscen- tra en op plattelandswegen als op erven of binnenpleinen van private gebouwen. Bij de herinrichting van autoluwe stadsker- nen wordt een vernieuwde belangstelling opgemerkt voor het gebruik van kasseien, maar hier worden eerder importstenen gebruikt, actueel voornamelijk van Aziatische oorsprong. De essentiële kwaliteiten van kasseien zijn de lage impact op het milieu als natuurproduct tijdens de hele levensduur en hun inbreng in de opwaardering van het stedelijk gebouwde patrimo- nium. Historische Belgische straatstenen zijn erg divers van samenstelling en eigenschappen, en bezitten een unieke en onver- vangbare geodiversiteitswaarde. Vervanging door gestandaardiseerde importsteen draagt zo bij tot de banalisering van de openbare ruimtes. Er is nood aan praktische handleidingen voor het materiaalgebruik en de uitvoeringswijze van kasseibestra- tingen in onze historische centra. Dit wordt duidelijk aangetoond door de huidige en in deze publicatie beschreven situatie van de stadscentra van Brussel, Ciney, Leuven en Gent in België én door de gevalstudie van het Marktplein van Geertruidenberg, één van de oudste natuurstenen bestratingen van Nederland, die tot op de dag van vandaag dreigt te verdwijnen en uitgevoerd te worden in andere materialen. Uit het geheel wordt een algemene nood bemerkt aan sensibilisering bij de burger alsook de overheden van het feit dat authenticiteit een prijs heeft en tegengesteld is aan vlakheid en soms ook aan gebruiksgemak. ABSTRACT. The loss of cobblestone pavements in historical city centres, on traditional roads in the countryside, on farmyards and inner courts of private buildings deprives the built heritage in Belgium and the Netherlands of its hori- zontal dimension. Although there is a renewed interest in cobblestones for the renovation of city centres, most often, imported stones are used, especially of Asian origin. The principal qualities of cobblestones as a natural product are their low environmental impact during their entire life cycle and their positive contribution to the overall quality of the built heritage. Historic Belgian cobblestones have very diverse compositions and characteristics, and they possess unique and irreplaceable geodiversity values. Replacement by standardized imported stone contributes to the trivialization of public places. There is a need for practical guidelines to describe the materials to be used and to specify how to use the material for traditional cobblestone pavements. The urgency is demonstrated in this paper by case studies from the city centres of Brussels, Ciney, Louvain and Ghent in Belgium and of the market place of Geertruidenberg. The latter is one of the oldest natural stone pavements of the Netherlands, which is threatened to be lost and to be replaced by other materials. In particular, there is a need to raise public awareness and to raise awareness of the authorities stressing the fact that authen- ticity has a certain price and that this may be contradictory to commonplace and to user demand.
Located in Library / RBINS Staff Publications
Inbook Reference Diestiaan ijzerzandsteen: de erfgoedsteen van het Hageland
SAMENVATTING. Een donkerbruine, ijzerhoudende zandsteen tekent het landschap en de karakteristieke archi- tectuur van het Hageland, het oostelijk deel van de provincie Vlaams-Brabant. Deze regio wordt gekenmerkt door een heuvelachtig landschap, waar in Romeinse tijden op de zuidelijk gerichte flanken al wijn werd verbouwd. Op de talrijke heuveltoppen, stille getuigen van versteende zandbanken in de Laat-Miocene zee die het landschap in lang vervlogen tijden overspoelde, komen donkerbruine lagen van ijzerzandsteen voor. Al sinds de vroege Middeleeuwen werd deze steen voor lokaal gebruik ontgonnen, waaruit later de voor de streek typische ‘Demergotiek’ ontstond. De ijzerzandsteen is zeer heterogeen en gevoelig voor verwering. Over het algemeen betreft het een bouwmateriaal met een lage druksterkte, zeker in vergelijking met Gobertange, Lede- of Doornikse steen. De hedendaagse restauratie van deze karakteristieke architectuur wordt geconfronteerd met diverse problemen: natuursteenherstelling is omwille van de donkere kleur minder evident en vaak niet duurzaam, beschikbare reserves zijn zeer beperkt en er zijn geen actieve steengroeves. Een maximale conservering van het authentieke materiaal, geheel in overeenkomst met het Charter van Venetië overigens, dient daarom vaak vooropgesteld. Materiaaltechnisch onderzoek van ijzerzandsteen, gelicht uit gesteentelagen in vijf sites, was noodzakelijk om de wisselende kenmerken van deze natuursteen beter te interpreteren vanuit zijn geologische diversiteit, teneinde de inzetbaarheid als bouwmateriaal te kunnen evalueren. Bovendien werd bestudeerd in hoeverre een mogelijke steen- verstevigende behandeling door middel van ethylsilicaat (TEOS) van ijzerzandsteen tot een verbetering van zijn duur- zaamheid zou kunnen leiden. ABSTRACT. Diest ferruginous sandstone, heritage stone of the Hageland. A dark-brown ferruginous sandstone characterizes the landscape and the typical architecture of the Hageland, the eastern part of the Belgian province Flemish Brabant. The landscape of this region is recognised by an alternation of hills. The southern flanks of these hills are well-suited for cultivating wine, something the Romans already learned some two thousand years ago. On these numerous hill tops, the silent witnesses of petrified shoals from the Diestian sea which overran the landscape long ago, dark-brown layers of ferruginous sandstone occur. Already in the Middle Ages, this stone has been quarried for local use which gradually led to the development of a specific architecture, also known as Demer Gothic. This ferruginous sandstone is however very heterogeneous and sensitive to weathering. In general, it is considered a rather weak building material, especially in comparison with other typical local building materials such as Gobertange, Lede or Tournais stones. However, the restoration of this characteristic architecture is nowadays confronted with various problems: the use of repair mortars is because of the dark color less evident and often not durable, available reserves are restricted and there are actually no active quarries. A maximal conservation of the authentic material, fully in agreement with the Charter of Venice, is hence often required as a premise. Material-technical research of fer- ruginous sandstone, retrieved from sedimentary beds from five locations, was deemed necessary to describe the vary- ing characteristics of this stone within its geological context in order to evaluate the possibility to use the material for restoration purposes. In addition, the effect of a consolidation treatment of the ferruginous sandstone with ethylsilicate (TEOS) to ameliorate its durability was examined.
Located in Library / RBINS Staff Publications